| Negatiever houding Europees publiek niet vertaald in verminderde koopintentie |
|
23 augustus 2006 Nadere analyse van de uitkomsten van het meest recente publieksonderzoek naar opvattingen over gentechnologie in de Europese Unie laat zien dat de algemene steun voor verdere ontwikkelingen van gentech gewassen verder afneemt, ook in Nederland. Tegelijkertijd lijken de cijfers uit te wijzen dat de bereidheid om specifieke producten te kopen toeneemt.
Eens in de drie jaar wordt in de Europese Unie onderzoek verricht naar de publieksopvattingen over biotechnologie. Eind 2005 zijn in totaal 25.000 respondenten in de 25 lidstaten van de EU ondervraagd. Hier wordt een beknopte analyse gegeven van de resultaten die betrekking hebben op genetisch gemodificeerd (gm)voedsel. Afname van steun voor verdere ontwikkeling van gm voedsel In voorgaande Eurobarometeronderzoeken is ingegaan op het feit dat de steun voor verdere ontwikkeling van diverse toepassingen van biotechnologie samenhangt met de opvattingen over het nut, het risico en de morele aanvaardbaarheid ervan. Aan de hand van de resultaten kan per aspect een gewogen gemiddelde worden berekend. Dan blijkt dat tussen 2002 en 2005 de steun voor verdere ontwikkeling van genetisch gemodificeerd voedsel in de 15 lidstaten van de EU is afgenomen. Vooral het verlies aan steun in Nederland is opvallend. Overigens scoren Duitsland en Frankrijk op dit punt nog aanzienlijk negatiever, en vormen Luxemburg en Griekenland uitschieters in negatieve zin. Spanje, het enige land waar al enige jaren op substantiële schaal genetisch gemodificeerde (voeder)maïs wordt verbouwd, is één van de wienige landen met een –bescheiden- positieve score op de steun voor verdere ontwikkeling. Positieve scores vinden we verder in Portugal en Tsjechië, waarbij moet worden opgemerkt dat in Spanje en Portugal het aandeel van de ‘weet niet’ respons met circa 1/3 van de respondenten relatief hoog is. Toename koopintentie concrete toepassingen Uit Eurobarometeronderzoek in eerdere jaren is reeds gebleken dat de koopintentie die respondenten uitspreken afhankelijk is van het doel van de genetische modificatie. Dat beeld wordt in 2005 bevestigd. De optie van een betere
Kwam ‘minder vet’ in 2002 op de vierde plaats wat betreft positieve koopintentie, nog na de optie ‘betere smaak’, in 2005 is de koopintentie bij de optie ‘als het gezonder is’ in alle lidstaten het grootst, en scoort beduidend positiever dan ‘minder vet’. Het verschil tussen de scores van 2002 en 2005 is dermate groot, dat er sprake moet zijn van een effect van de veranderde vraagstelling. Kennelijk kennen veel respondenten een andere betekenis toe aan: ‘bevat minder vet’ dan aan ‘gezonder’, en mogelijk heeft een associatie met ‘minder ongezonde ingrediënten’ bij velen een ander effect op de koopintentie dan een associatie met ‘meer gezonde ingrediënten’. Maar ook de opties ‘als het minder pesticiden bevat’ en ‘als het milieuvriendelijker wordt geteeld’ scoren in 2005 zowel in Nederland als in de EU-15 aanmerkelijk positiever op koopintentie dan in 2002 het geval was. Ook hier kan niet uitgesloten worden dat een deel van het effect is toe te schrijven aan een enigszins andere vraagstelling[1], die mogelijk ook de oorzaak is van het aanzienlijk lagere percentage ‘weet niet’ antwoorden. Vertrouwen in regelgeving De mate van vertrouwen in de regelgeving is over het algemeen een belangrijke verklarende factor voor de publieksattitude, zo is uit eerder onderzoek gebleken. Ook in 2005 is weer onderzocht hoe de Europese burgers over de regelgeving in relatie tot genetische modificatie. In België (45,6%), Nederland (44,9%), Tsjechië (42,5%) en Zweden (40,6%) vinden we het grootste aantal respondenten met vertrouwen in de regelgeving. In Duitsland heeft nog geen 30% van de respondenten vertrouwen in de regelgeving en in Griekenland en Litouwen geldt dat voor niet meer dan 7,8%, respectievelijk 9,3%. Met enige kunstgrepen kan worden aangetoond dat er per land inderdaad een relatie is tussen het (ontbreken van) vertrouwen in de regelgeving en het onthouden van steun voor verdere ontwikkeling van genetisch gemodificeerd voedsel. Vertrouwen in informatiebronnen Tussen 2002 en 2005 is in Nederland het vertrouwen in consumentenorganisaties als bron van informatie over genetische modificatie toegenomen, evenals het vertrouwen in universiteiten en de nationale overheid. Sinds 1993 vertoont het vertrouwen in de milieuorganisaties als informatiebron een dalende tendens. Evenals in Duitsland (67,7%) is het vertrouwen in consumentenorganisaties in ons land (65,3%) het grootst. In Tsjechië, Slowakije, Polen, de Baltische staten en Polen heeft 21% of minder van de respondenten vertrouwen in consumentenorganisaties als informatiebron. De milieuorganisaties scoren in Nederland beduidend lager: 35,2% zegt deze informatiebron te vertrouwen, en dat is ongeveer dezelfde score als in Polen en Groot-Brittannië. In Denemarken Luxemburg, Slowakije en Duitsland worden deze organisaties door de helft of meer van de respondenten vertrouwd, terwijl dat in Spanje voor slechts ¼ van de respondenten geldt. Medici staan als informatiebron bij tenminste 60% van de respondenten in hoog aanzien in Griekenland, Malta en Slovenië, maar ook in Frankrijk, Oostenrijk en België heeft men relatief veel vertrouwen in deze beroepsgroep. De resultaten van Nederland komen wat betreft de medici overeen met het EU gemiddelde van ongeveer 38%. ‘De universiteiten’, dat wil zeggen wetenschappers, doen het met 45 – 47% redelijk goed als betrouwbare informatiebron in Nederland, België, Finland en Griekenland, en met 11 – 14% ronduit slecht in Litouwen, Italië en Frankrijk. Nationale overheden scoren alleen in Denemarken en Nederland een ‘acceptabele’ 35 respectievelijk 31% als betrouwbaar geachte informatiebron. Veel slechter is het gesteld met het vertrouwen in de nationale overheden als informatiebron in Polen, Hongarije, Letland en Slovenië (allen minder dan 5%), maar ook in Frankrijk, Oostenrijk en Italië blijft het vertrouwenspercentage steken tussen de 8 en de 9. In het voormalige Oostblok, maar ook in Malta, Cyprus, Frankrijk en Spanje hebben meer respondenten vertrouwen in de EU als informatiebron dan in de eigen, nationale overheid. In Nederland (+11,4%)en vooral in Denemarken (+22,8%) is het vertrouwen in informatie van de eigen overheid juist groter. Ook zijn er veel landen waarin meer mensen vertrouwen hebben in informatie die wordt verstrekt door internationale instellingen dan in de informatie van de eigen overheid. Televisie en kranten worden altijd door veel mensen genoemd als belangrijke informatiebron. Dat wil echter niet zeggen dat dit informatiebronnen zijn waarin men ook veel vertrouwen heeft. Alleen in Litouwen zegt iets meer dan 1/3 van de respondenten de berichtgeving over genetische modificatie in kranten en op televisie wel te vertrouwen. In alle andere lidstaten is dat minder dan een kwart. Het vertrouwen in deze bronnen is uitgesproken laag in Frankrijk (8,4%), Zweden (7,4%) en Hongarije (4,7%). De score onder Nederlanders is 17,2%, vergelijkbaar met die onder de Denen en de Grieken. Bron: Eurobarometer on Biotechnology 2005 (64.3), Annex 2, te downloaden via http://www.ec.europa.eu/research/press/2006/pr1906en.cfm [1] in 2002 werd respondenten gevraagd of ze het eens of oneens waren met stellingen, geformuleerd als: “Ik zou een dergelijk product kopen”. In 2005 konden respondenten aangeven of ze producten ‘zeker wel’, ‘mogelijk wel’, ‘mogelijk niet’ of ‘zeker niet’ zouden kopen. |
